The ARCADIA***** Hotel
ACT I, scene 1
(The hotel bar. Strephon is serving a bunch of half-drunk guests.)
1ste BEDRIJF, 1e toneel
(De bar. Strephon bedient een clubje half-dronken gasten.)

1.  Introduction
(Instr.)

Strephon
One of her hands one of her cheeks lay under,
Cozening the pillow of a lawful kiss,
Which therefore swell'd, and seemed to part asunder,
As angry to be robbed of such a bliss!
The one looked pale and for revenge did long,
While t'other blushed, 'cause it had done the wrong.
Out of the bed the other fair hand was
On a green satin quilt, whose perfect white
Looked like a daisy in a field of grass,
And showed like unmelt snow unto the sight;
There lay this pretty perdue, safe to keep
The rest o'th'body that lay fast asleep.
Her eyes (and therefore it was night), close laid
Strove to imprison beauty till the morn:
But yet the doors were of such fine stuff made,
That it broke through, and showed itself in scorn,
Throwing a kind of light about the place,
Which turned to smiles still, as't came near her face.
Her beams, which some dull men called hair, divided,
Part with her cheeks, part with her lips did sport.
But these, as rude, her breath put by still; some
Wiselier downwards sought, but falling short,
Curled back in rings, and seemed to turn again
To bite the part so unkindly held them in.

(Sir John Suckling, 1609-1642)


Strephon
Onder een van haar wangen lag een van haar handen,
En ontfutselt de zoen, aan het kussen beloofd,
Dat daarom uiteenweek, en zwol, alsof  't brandde
Van woede dat 't zo van die gunst werd beroofd.
Het een zag, naar wraak verlangend, wit-heet,
Terwijl de andere bloosde, om 't kwaad dat ze deed.
De andere hand had ze uit 't bed laten glijden,
Naar een groen-satijnen kleed, waar 't blank en volmaakt
Leek op een madelief in een grazige weide,
Of op sneeuw die het oog met haar schittering raakt.
Daar lag de verlorene, zich onbewust
Van de rest van het lichaam, in diepe rust.
Haar ogen die ('t was nacht) gesloten bleven
Poogden tot de ochtend de schoonheid in te sluiten:
Maar van zulk fijne stof waren die deuren geweven,
Dat ze er spottend doorheen brak, en zich toonde, daar buiten,
En daar, in die plaats, wierp ze zulk een licht,
Dat een glimlachen werd, dicht bij haar gezicht.
Haar stralen, volgens sommige geestdoden "haar",
Speelden deels met haar wangen, en deels met haar mond,
maar deze, blies haar adem ze ruw door elkaar,
Vluchtten vergeefs, want te kort, naar de grond,
En krulden in ringen weer terug, als in verlangen
Om te bijten wie ze zo onheus hield gevangen.

(vert. Marcel Wick, ©2010.)




(CLORIS comes out of the lavatories, laughing while buttoning up her clothes. From within sounds the angry voice of CORYDON)

Corydon
Base mettle hanger by thy master's thigh,
Shame and disgrace to all prick heraldry,
Hide thy despised head and do not dare
To peep, no not so much as take the air
But through a buttonhole, but pine and die,
Confined within thy codpiece monastery.
The little childish boy that scarcely knows
The channel through which his water flows,
Touched by mistress's most magnetic hand
His little needle presently will stand,
And turn to her; but thou, in spite of that,
As oft cocks flopping like an old wife's hat.
Did she not take you in her ivory hand?
Doubtless stroked thee, yet thou wouldst not stand?
Did she not raise thy drooping head on high
As it lay nodding on her wanton thigh?
Did she not clasp her legs about thy back,
Her porthole open? Prick, what didst thou lack?
Henceforth stand stiff, regain thy credit lost,
Or I'll ne'er draw thee but against a post.

(John Wilmot, Earl of Rochester, 1647-1680)


(CLORIS komt lachend uit de toiletten, terwijl ze haar kleren vastknoopt. Van binnen klinkt de stem van CORYDON)

Corydon
Vuig aan je meester's buik hangend prul,
Schandvlek op 't blazoen van iedere lul,
Verberg je verachtelijke kop; wees beducht
Om te gluren; waag zelfs niet om even wat lucht
Te happen door een knoopsgat; maar kwijn weg in je schulp,
Gevangen in het klooster daar achter je gulp.
Van de kleinste jongen die maar nauwelijks weet
Hoe 't kanaal waar het water doorheen stroomt heet,
Zal, betast door een magnetische meisjeshand
Het naaldje meteen in de juiste stand
Naar haar toe gaan staan; maar jij, jij moet
Weer eens slap gaan hangen als een ouwe hoed.
Nam ze je niet in haar hand van ivoor?
Streelde ze niet, en je wilde niet door?
Bracht ze je hangende kopje niet bij
Toen het lag te dutten op haar smachtende dij?
Lagen haar benen dan niet als een strik
Om je nek? Wat mankeert er dan aan je, pik?
Vanaf nu sta je stijf, om je schuld uit te wissen;
Of ik haal je er enkel nog uit om te pissen.

(vert. Marcel Wick, ©2010.)





(Alexis enters noisily)

Alexis
Who ever guesses, thinks, or dreams he knows
Who is my mistress, wither by this curse;
His only, and only his purse
May some dull love to heart dispose,
And she yield then to all that are his foes;
May he be scorn'd by one, whom all else scorn,
Forswear to others, what to her he'hath sworn,
With fear of missing, shame of getting, torn:

Madness his sorrow, gout his cramp, may he
Make, by but thinking, who hath made him such:
And may he feel no touch
Of conscience, but of fame, and bee
Anguish'd, not that 't was sin, but that 't was she:
In early and long scarceness may he rot,
For land which had been his, if he had not
Himself incestuously an heir begot:

May he dream Treason, and believe, that he
Meant to perform it, and confess, and die,
And no record tell why;
His sons, which none of his may bee,
Inherit nothing but his infamy:
Or may he so long Parasites have fed,
That he would fain be theirs, whom he hath bred,
And at the last be circumcised for bread:

The venom of all step dames, gamesters'  gall,
What Tyrants, and their subjects interwish,
What Plants, Mines, Beasts, Foule, Fish,
Can contribute, all ill which shall
Be annex'd in schedules unto this by me,
Fall on that man; For if it be a she,
Nature beforehand hath out-cursed me.

(John Donne, 1572-1631)


(Alexis komt met veel misbaar binnen.)

Alexis
Moge hij die ooit raadt, denkt, of droomt dat hij weet
Wie mijn lief is, onder deze verwensingen kwijnen;
Dat zijn geld, en alleen maar het zijne
Door een lief naar believen moge worden besteed
En zich daarna geeft aan die hij zijn vijanden heet;
Moge hij bespot worden door die, die door eenieder wordt besmeurd,
Ontkennen tegenover anderen, wat hij aan haar heeft verbeurd,
En tussen angst om te missen, of te krijgen, worden verscheurd.

Moge jicht zijn kramp zijn, en waanzin zijn last,
Hij zo maken die hem zo maakte, door 't denken alleen
En daarbij dan geen spoor, zelfs geen zweem
Van geweten voelen, moge hij worden verrast
Door angst. Niet omdat 't zonde, maar omdat zij het was:
Dat hij in vroeg en lang gebrek verrekt
Voor land dat het zijne was, als hij niet bevlekt
En incestueus een erfgenaam had verwekt.

Dromen van Verraad, en denken, dat hij deze
Deed, bekennen, en de pijp uit gaan,
Moge daarvan geen verslag bestaan;
Zodat zijn zonen, van wie geen van hem moge wezen,
Als erfenis dan te schande staan.
Dat parasieten hem tot in lengte van dagen
Besnijden, en zo lang aan hem vreten en knagen,
Dat hij smeekt te mogen worden als hen die hem plagen.

Het gif van alle stiefmoeders, van gokkers 't gal,
Wat tirannen en hun onderdanen elkaar wensen,
Wat planten, beesten, mijnen, drek en mensen,
Kunnen bijdragen, 't slechte dat al
Zal worden toegevoegd aan de inventaris,
Kome over hem; want als het een haar is,
Weet ik op voorhand dat mijn vloek waar is.

(vert. Marcel Wick, ©2010.)


previous page
next page