The ARCADIA***** Hotel
ACT 2, scene 2
(Outside in the street, under Corinna's bedroom window.)


2de BEDRIJF, 2e toneel
(Buiten in de straat, onder Corinna's slaapkamerraam.)


Strephon
(at the top of his voice)

Phoebus, arise!
And paint the sable skies
With azure, white, and red:
Rouse Memnon's mother from her Tithon's bed
That she may thy career with roses spread:
The nightingales thy coming each-where sing:
Make an eternal spring!
Give life to this dark world which lieth dead;
Spread forth thy golden hair
In larger locks than thou wast wont before,
And emperor-like decore
With diadem of pearl thy temples fair:
Chase hence the ugly nigh
Which serves but to make dear thy glorious light.

This is that happy morn,
That day, long-wished day,
Of all my life so dark,
(If cruel stars have not my ruin sworn,
And fates my hopes betray),
Which, purely white, deserves
An everlasting diamond should it mark.
This is the morn should bring unto this grove
My Love, to hear and recompense my love.
Fair King, who all preserves,
But show thy blushing beams
And thou two sweeter eyes
Shalt see than those which by Peneus' streams
Did once thy heart surprise.
Now, Flora, deck thyself in fairest guise:
If that ye winds would hear
A voice surpassing far Amphion's lyre,
Your furious chiding stay;
Let Zephyr only breathe,
And with her tresses play.
The winds all silent are,
And Phoebus in his chair
Ensaffroning sea and air
Makes vanish every star:
Night like a drunkard reels
Beyond the hills, to shun his flaming wheels:
The fields with flowers are decked in every hue,
The clouds with orient gold spangle their blue;
Here is the pleasant place,
And nothing wanting is, save She, alas!

(William Drummond of Hawthornden, 1585-1649)

Strephon
(luidkeels)

Phoebus, omhoog!
En verf de zwarte hemelboog
Met azuur, wit en rood:
Haal Memnon's moeder van haar Tithon's schoot
Zodat zij uw weg met rozen zal doorweven:
Het nieuws van uw komst wordt door de nachtegaal verbreid:
Maak een lente voor altijd!
Geef deze wereld die dood ligt het leven;
Spreid uw gouden haren
In langere lokken dan u gewoon was hier,
En als een keizer gelijk, versier
Uw slapen met een diadeem van paarlen:
Jaag de nacht uit het zicht
Die ons allen doet dorsten naar de glorie van uw licht.

Dit is die gelukkige morgen
Die dag, die lang verwachte dag
Van heel mijn zo donkere leven
(Als de wrede sterren er niet voor zorgen
dat 'k mij nu nog verraden zag)
Welks zuiverste wit, verdienen moet
Haar voor eeuwig met diamant te omgeven
Dit is de ochtend, die mijn Liefste moest sporen
Naar hier, om de bede van mijn liefde te horen.
Edele Koning, die alles behoedt,
Laat slechts uw stralen komen
En dan zult ge vinden
Twee ogen nog mooier dan die, die bij Peneus' stromen
Eens uw hart verblindden.
Nu, Flora, kleed u in uw schoonste sier:
En als gij, winden, wilt horen
Een stem nog mooier dan Amphion's lier,
Staakt dan uw woedende mokken;
Laat enkel de adem van Zephyr
Dan spelen met haar lokken.
De winden zwijgen allen,
En Phoebus die op zijn wagen
De hemel met goud heeft geslagen
Laat nu de sterren vallen:
Achter de heuvels de nacht,
Die, als dronken zwalkend, de vlammende wielen tracht
Te ontvluchten: De bloemenweiden zijn bedekt met dauw,
De wolken besprenkelen met oosters goud het blauw;
Hier is de gelukkige plaats,
En niets ontbreekt, behalve Zij, helaas!
(vert. Marcel Wick, ©2010.)




(CELIA comes down, laughing and applauding)

Strephon
I burn, I burn; and beg of you
To quench or cool me with your dew.
I fry in fire, and so consume,
Although the bile be all perfume.
Alas! the heat and death's the same,
Whether by choice or common flame
To be in oil of roses drowned,
Or water; where's the comfort found?
Both bring one death; and I die here
Unless you cool me with a tear:
Alas! I call; but ah! I see
Ye cool, and comfort all but me.

(Robert Herrick, 1591-1674)
(CELIA komt naar buiten, lachend en applaudisserend)

Strephon
Ik brand, ik brand; en ik smeek je nou
Blus of verkoel me met je dauw.
Ik rooster in 't vuur, en ik word verteerd
Hoewel de gal is geparfumeerd.
Helaas! de dood en de hitte  zijn identiek,
Of 't vuur nou privé is, of publiek;
Te worden verdronken in een olie van rozen
Of in water; waar zou de troost verpozen?
Beiden brengen één dood; en ik ga eraan
Tenzij jij me verkoeld met een traan:
Helaas! Ik roep; maar ach, voor iedereen
Heb je troost en verkoeling, maar voor mij, geen.

(vert. Marcel Wick, ©2010.)
Celia
Mark how the bashful morn in vain
Courts the amorous marigold,
With sighing blasts and weeping rain,
Yet she refuses to unfold.
But when the planet of the day
Approacheth with his powerful ray,
The she spreads, then she receives
His warmer beams into her virgin leaves.
So shalt thou thrive in love, fond boy ;
If thy tears and sighs discover
Thy grief, thou never shalt enjoy
The just reward of a bold lover.
But when with moving accents thou
Shalt constant faith and service vow,
Thy Celia shall receive those charms
With open ears, and with unfolded arms.

(Thomas Carew, 1594-1640)


Celia
Zie hoe de ochtend vergeefs en verlegen
De lieflijke goudsbloem het hof wil maken,
Met zuchtende wind en met huilende regen,
Toch weigert ze om te ontwaken.
Maar dan, wanneer de planeet van de dag
Verschijnt met zijn krachtige stralenslag
Dan spreid ze, en ontvangt ze elk
Van zijn stralen in haar maagdelijke kelk.
Zo, dwaze jongen, zal 't in de liefde gaan;
Als de pijn in je hart je doet denken; ik win haar
Met tranen en zuchten, geraak je nooit aan
De gerechte beloning van een dappere minnaar.
Maar als je constante dienstbaarheid
En trouw met ontroerende woorden bepleit,
Dan zal jouw Celia je ontvangen
Met open oren, en armen vol verlangen.

(vert. Marcel Wick, ©2010.)




Strephon
Fear not, dear love, that I'll reveal
Those hours of pleasure we two steal;
No eye shall see, nor yet the sun
Descry, what thou and I have done.
No ear shall hear our love, but we
Silent as the night will be;
The god of love himself (whose dart
Did first wound mine and then thy heart),
Shall never know that we can tell
What sweets in stol'n embraces dwell.
This only means may find it out;
If, when I die, physicians doubt
What caused my death, and there to view
Of all their judgements which was true,
Rip up my heart, oh! then, I fear,
The world will see thy picture there.

(Thomas Carew, 1594-1640)
(exit STREPHON and CELIA)

Strephon
'k Zal niemand vertellen, je kunt me geloven,
Van de plezierige uurtjes die wij tweeën roven;
Geen oog zal 't zien, geen zon en geen maan
Zullen merken wat jij en ik hebben gedaan.
Geen oor zal van onze liefde horen,
En zelfs de nacht zullen wij niet verstoren;
De god van de liefde (wiens pijl mij eerst raakte
En daarna bij jou in 't hart wonden maakte),
Zal nooit van ons horen dat wij weten van 't zoet
Dat in stiekeme omhelzingen wonen moet.
Alleen dit zou 't mogelijk kunnen ontdekken;
Als mijn doodsoorzaak ooit nog eens twijfel zou wekken
En de heren doktoren mij, om eens te kijken
Welk van hun meningen juist zou blijken,
Het hart opensnijden, o! dan, misschien,
Zal de wereld daarbinnen jouw beeltenis zien.

(vert. Marcel Wick, ©2010.)
(STREPHON en CELIA af)
(On the TV back in the room, that's still on, there's a film of the city in the hot afternoon, alternated with shots of the different characters going about their business: CORINNA working, CORYDON sleeping, the MANAGER and ALEXIS drinking, CELIA and STREPHON making love.)
(Op de T.V., die nog steeds aan staat, zien we opnames van de stad in de hete namiddag, afgewisseld met beelden van de verschillende personages: CORINNA werkend, CORYDON slapend, de MANAGER en ALEXIS drinkend, CELIA en STREPHON vrijend.)


12. Come Sleep
(Alto)



Come sleep, and with the sweet deceiving,
Lock me in delight a while,
Let some pleasing Dreams beguile
All my fancies; That from thence,
I may feel an influence,
All my powers of care bereaving.

Though but a shadow, but a sliding,
Let me know some little Joy,
We that suffer long annoy
Are contented with a thought
Through an idle fancy wrought,
O let my joys, have some abiding.

(Francis Beaumont, 1584-1616 & John Fletcher, 1579-1625)





previous page
next page