The ARCADIA***** Hotel
ACT 2, scene 3
(Evening, the hotel bar. CORYDON and CLORIS.)

2de BEDRIJF, 3e toneel
(Avond, de hotel bar. CORYDON en CLORIS.)

Corydon
As some brave admiral, in former war,
Deprived of force, but pressed with courage still,
Two rival fleets appearing from afar,
Crawls to the top of an adjacent hill;

From whence (with thoughts full of concern) he views
The wise and daring conduct of the flight,
And each bold action to his mind renews
His present glory, and his past delight;

From his fierce eyes, flashes of rage he throws,
As from black clouds when lightning breaks away,
Transported, thinks himself amidst his foes,
And absent yet enjoys the bloody day;

So when my days of impotence approach,
And I'm by pox and wine's unlucky chance,
Driven from the pleasing billows of debauch,
On the dull shore of lazy temperance,

My pains at last some respite shall afford,
Whilst I behold the battles you maintain,
When fleets of glasses sail about the board,
From whose broadsides volleys of wit shall rain.

Nor shall the sight of honourable scars,
Which my too-forward valour did procure,
Frighten new-listed soldiers from the wars.
Past joys have more than paid what I endure.

Should hopeful youths (worth being drunk) prove nice,
And from their fair inviters meanly shrink,
'Twould please the ghost of my departed vice,
If at my counsel they repent and drink.

Or should some cold-complexioned sot forbid,
With his dull morals, our night's brisk alarms,
I'll fire his blood by telling what I did,
When I was strong and able to bear arms.

I'll tell of whores attacked, their lords at home,
Bawd's quarters beaten up, and fortress won,
Windows demolished, watches overcome,
And handsome ills by my contrivance done.

Nor shall our love-fits, Cloris, be forgot,
When each the well-looked link-boy strove t'enjoy,
And the best kiss was the deciding lot:
Whether the boy fucked you, or I the boy.

With tales like these I will such heat inspire,
As to important mischief shall incline.
I'll make them long some ancient church to fire,
And fear no lewdness they're called to by wine.

Thus statesman-like, I'll saucily impose,
And safe from danger valiantly advise,
Sheltered in impotence, urge you to blows,
And being good for nothing else, be wise.

(John Wilmot, Earl of Rochester, 1647-1680)

Corydon
Zoals een dapper admiraal uit een krijg van jaren her
Die, zijn krachten kwijt, maar nog steeds met moed behept,
Twee vijandige vloten ziet verschijnen van ver,
Zich naar een naburige heuveltop rept;

Vanwaar (met gedachten vol zorg) hij 't gewaagde
En wijze verloop van de slag gadeslaat,
En zijn vroegere glorie bij elke onversaagde
Actie in zijn geest weer herleven laat;

Vanuit zijn vurige ogen schicht de razernij,
Als uit inktzwarte wolken de bliksemslag,
In vervoering, te midden van de vijand is hij,
En, afwezig, beleeft toch de bloedige dag,

Zo, als mijn impotente dagen,
Mij van de genoeglijke golven van lust
Door het lot van syfilis en wijn zullen dragen
Naar luie gematigdheids' saaie kust,

Zo zal mijn smart mij hier laten verwijlen,
En volg ik de slag die jij leveren zal,
Terwijl vloten van glas over de tafel heen zeilen,
Van welks boorden ik salvo's van snedigheid knal.

Noch zal de aanblik van wonden en oude
Kwetsuren die 'k won met mijn doldrieste moed,
Een jongere lichting van de oorlog weerhouden.
Door voorbije genoegens ben ik ruimschoots vergoed.

Zou de jeugd, vol van hoop, en de dronkenschap waardig,
Voor een knappe uitdaging  hun moed klein zien zinken,
Dan lijkt het de geest van mijn ondeugd wel aardig
Als ze 't op mijn raad zouden betreuren en drinken.

Of zou een bleekneuzige zot met zijn saaie
Moraal over ons nachtelijk handgemeen klagen,
Dan zet ik zijn bloed in lichterlaaie
Door te zeggen wat ik deed  toen 'k nog wapens kon dragen.

Ik zal vertellen van aangevallen hoeren, en hun heren thuis,
Het kwartier van koppelaarsters aan stukken geslagen,
Forten veroverd, vensters aan gruis,
En van 't fraaie kwaad gedaan door mijn listen en lagen.

Noch zal ik onze liefdeswoedes, Cloris, vergeten,
Toen wij ons om de knappe fakkeldrager verdrongen,
En de beste kus de uitslag liet weten,
Of de jongen jou neukte, of ik de jongen.

Met verhalen als deze zal 'k zulk een vuur ontsteken,
Dat als een zwaarwegend onheil beklijft,
Ik zal ze met kerk en gezag leren breken,
En geen geilheid te vrezen waartoe de wijn hen drijft.

Zo zal ik, manhaftig en zonder fatsoen,
Als een staatsman die geen gevaar hoeft te vrezen,
Door onmacht beschermd, het jou laten doen,
En, goed voor niets anders, verstandig wezen.
(vert. Marcel Wick, ©2010.)




(STREPHON comes in, followed by CELIA)

Strephon
Tell me no more of constancy,
That frivolous pretence,
Of cold age, narrow jealousy,
Disease, and want of sense.

Let duller fools on whom kind chance
Some easy heart has thrown,
Despairing higher to advance,
Be kind to one alone.

Old men and weak, whose idle flame
Their own defects discovers,
Since changing can but spread their shame,
Ought to be constant lovers.

But we, whose hearts do justly swell,
With no vain-glorious pride,
Who know how we in love excel,
Long to be often tried.

Then bring my bath, and strew my bed,
As each kind night returns,
I'll change a mistress till I'm dead,
And fate change me for worms.

(John Wilmot, Earl of Rochester, 1647-1680)
(STREPHON komt binnen, gevolgd door CELIA)

Strephon
Spreek niet meer van standvastigheid,
Die ijdele pretentie
Van jaloezie, kleingeestigheid,
Van ziekte en dementie.

Laat saaie dwazen die het lot
Een week hart heeft gegeven,
Uit vrees voor 't hogere genot,
Naar 't geluk van slechts één streven.

De ouden en zwakken, wiens liefdesvuur
Niets méér is dan de schijn,
Moeten, door hun falende natuur
Gedwongen, deugdzaam zijn.

Maar wij, wiens harten onbevangen
In de liefde excelleren,
Leven vol trots en vol verlangen
Om 't dikwijls te proberen.

Breng dan mijn bad, laat mijn bed openslaan,
Dan zal het hier elke nacht stormen;
Ik zal ruilen van maîtresse tot ik dood zal gaan,
En het noodlot me ruilt voor de wormen.

(vert. Marcel Wick, ©2010.)

(The bar is getting crowded. Among the guests are the MANANGER and CORINNA, and ALEXIS)

Strephon
(to CELIA, who is sticking to him like glue)

'Tis not that I am weary grown
Of being yours, and yours alone;
But with what face can I incline
To damn you to be only mine?
You whom some kinder power did fashion,
By merit and by inclination,
The joy at least of one whole nation.
"
Let meaner spirits of your sex,
With humbler aims their thoughts perplex,
And boast, if by their arts they can
Contrive to make one happy man;
Whilst moved by an impartial sense,
Favours, like nature, you dispense,
With universal influence.

See the kind seed-receiving earth,
To every grain affords a birth;
On her no showers unwelcome fall,
Her willing womb retains 'em all.
And shall my Celia be confined?
No! Live up to thy mighty mind,
And be the mistress of mankind.

(John Wilmot, Earl of Rochester, 1647-1680)


(Het wordt drukker in de bar. Onder de gasten bevinden zich de MANAGER en CORINNA, en ALEXIS)

Strephon
(tegen CELIA, die als een bakvis om hem heen draait)

Het is niet dat het me vermoeien zou
Om de jouwe te zijn, en alleen van jou;
Maar hoe het onrecht dan verbloemt
Dat jou tot mij alleen verdoemt?
Jij, bestemd door een vriendelijker creatie,
Door je verdienste en inclinatie,
Tot het plezier van een hele natie.

Laat mindere geesten van jouw sekse
Met nederiger doelen hun complexe
Gedachten verwarren, en maken, als 't kan
Met hun sobere middelen, één gelukkige man;
Terwijl jij, in onpartijdigheid,
Je gunsten, als de natuur, verspreid
Met alomtegenwoordigheid.

Zie hoe ieder graantje haar geboorte dankt
Aan de aarde die het zaad ontvangt;
Welkom zijn alle regens die op haar vallen,
Haar gewillige buik ontvangt ze allen.
En ben ik voor mijn Celia dan zo wreed?
Nee! leef naar de machtige geest die 'k je weet,
En wees de maîtresse van heel de planeet.

(vert. Marcel Wick, ©2010.)






13. The Mock Song
(Tenor)

(Changing partners constantly, CLORIS dances a tango that's becoming more and more obscene, taunting CELIA by offering her all the men she dances with.)
(Cloris danst een steeds obscener wordende tango, waarbij ze steeds van partner wisselt en CELIA bespot door haar de mannen aan te bieden waarmee ze danst.)



I swive as well as others do,
I'm young, not yet deformed,
My tender heart, sincere and true,
Deserves not to be scorned.
Why Phyllis then, why will you swive
With forty lovers more?
Can I (said she) with nature strive,
Alas I am, alas I am a whore.

Were all my body larded o'er,
With darts of love, so thick,
That you might find in every pore,
A well-stuck, standing prick:
Whilst yet my eyes alone were free,
My heart would never doubt,
In amorous rage, and ecstasy,
To wish those eyes, to wish those eyes fucked out.
(John Wilmot, Earl of Rochester, 1647-1680)




previous page
next page